ECVO oogonderzoek

Een oogonderzoek klinkt misschien eng, maar is het niet. Het belangrijkste is dat de specialist het oog van binnen goed kan bekijken. Hiervoor worden speciale oogdruppels gebruikt. Door de oogdruppels gaat de pupil na ongeveer een half uur openstaan. In een verduisterde ruimte ziet de specialist goed of er iets mis is met het oog of niet.

Onderzoek op erfelijke oogafwijkingen

Bij het ECVO-oogonderzoek doet een gespecialiseerde dierenarts onderzoek naar een groot aantal afwijkingen van het oog. Voorbeelden hiervan zijn:

Als er bij dit onderzoek een oogafwijking wordt gevonden, kan de specialist er in sommige gevallen iets aan doen. Veel erfelijke oogziekten komen pas naar voren als uw hond wat ouder wordt.

De uitslag van het ECVO onderzoek is 12 maanden geldig. 

Gonioscopie (punt 8)

Tijdens het ECVO-oogonderzoek kan de dierenarts, als aanvulling op het standaard onderzoek op erfelijke oogziekten, ook een gonioscopie uitvoeren. Dit is bij een aantal hondenrassen van belang. Met deze methode kijkt de oogarts naar het voorste deel van een oog (ook wel de kamerhoek genoemd). Om dit te kunnen doen, wordt met oogdruppels het hoornvlies verdoofd. Als het hoornvlies verdoofd is, plaatst de dierenarts een speciale contactlens op het oog. Vervolgens bekijkt de dierenarts met een microscoop de kamerhoek. Is een gonioscopie nodig? Dan wordt dit als eerste gedaan, vóór de pupilverwijding en het standaard onderzoek.

Twee uur naar het inbrengen van de oogdruppels worden de pupillen weer normaal. Uw hond merkt hier gelukkig niets van. Wel is het fijn voor uw hond om de paar uur na het onderzoek fel zonlicht en sterke verlichting te vermijden.

het is belangrijk dat u de stamboom en de eigendomspapieren van uw hond meeneemt naar de afspraak.

Punt 8 hoeft maar één keer getest te worden volgens het verenigingsfokreglement.

Wie voert een ECVO-oogonderzoek uit?

Een ECVO-onderzoek is ingewikkeld en vereist veel kennis. Daarom mag niet iedere dierenarts dit doen. Alleen specialisten en dierenartsen die hiervoor een extra opleiding hebben gevolgd mogen het onderzoek uitvoeren. Die opleiding (en het onderzoek) wordt gedaan volgens de richtlijnen van het European College of Veterinarian Ophthamologists (ECVO).

Voor het ECVO-oogonderzoek gebruikt de dierenarts speciale apparatuur. Zo weten we zeker dat er niks misgaat bij het onderzoeken van uw hond. Er zijn maar een paar dierenartsen in Nederland die zo’n onderzoek mogen uitvoeren. 

Uitslag ECVO-oogonderzoek hond

Direct na het onderzoek is de uitslag bekend. Hierbij zijn drie uitslagen mogelijk:

  1. Uw hond is ‘vrij’. Dat betekent dat er geen verschijnselen van oogziektes zijn gevonden.
  2. Uw hond is ‘niet vrij’. In dit geval zijn er aanwijzingen gevonden die op een oogziekte wijzen.
  3. De uitslag is ‘onbeslist’. Er zijn kleine afwijkingen in het oog gevonden, maar het is nog niet duidelijk of dit te maken heeft met een oogziekte. De dierenarts geeft in dit geval aan wanneer er een tweede keer een onderzoek moet worden gedaan.

Afwijkingen en Ziektes

1. Membrana pupillaris Persistens MMP

Vragen zijn beantwoord door; Dr. F.C. Stades, Dierenarts, specialist oogheelkunde, Diplomate ECVO

MPP is een vrij zelden voorkomende, aangeboren oogafwijking. Als gevolg van een storing in de ontwikkeling blijven er restjes achter van het embryonale lensvaatnetje dat voor de geboorte de voorzijde van de lens van voedingsstoffen moest voorzien.

MPP komt in vele vormen voor. Bij de lichtste vormen blijven er kleine pigmentklontjes achter op de voorkant van de lens of tegen de binnenkant van het hoornvlies. Ook kunnen er zich draadjes bevinden op het oppervlak van de iris (regenboogvlies). Deze draadjes kunnen ook oversteken over de pupil of naar de voorkant van de lens of naar de binnenzijde van het hoornvlies. Er kan zelfs een soort spinnenweb in het oog van overblijven. Als de resten verbonden zijn met de binnenzijde van het hoornvlies kunnen zij daarin witte littekens veroorzaken. Het lijkt dan of de patiënt op pupleeftijd een beschadiging aan het oog heeft gekregen. Als de resten tegen de voorzijde van de lens blijven zitten, kunnen zij daar grauwe staar of cataract veroorzaken (zie verder). Soms gaat MPP ook gepaard met andere oogafwijkingen, zoals microphthalmie of netvliesafwijkingen.

Een behandeling is vrijwel nooit noodzakelijk. Een heel enkele keer is operatieve verwijdering nuttig.

MPP wordt veroorzaakt doordat, tijdens het laatste deel van de dracht, een stoornis in de afbraak van het embryonale vaatstelseltje aan de voorzijde van de lens optreedt. Bij een aantal rassen is de afwijking erfelijk bepaald.

Honden met ernstige vormen van MPP kunnen beter worden uitgesloten van de fokkerij. Bij sommige rassen heeft de afwijking zich al zeer sterk door het ras verbreid. Bij dergelijke rassen zal men voorlopig niet veel anders kunnen doen dan bij de selectie alleen honden met lichte vormen van MPP te gebruiken en dan nog zo min mogelijk

2. Persisterende hyperplastische tunica vasculosa lentis/primair vitreum (PHTVL/PHPV)

Vragen zijn beantwoord door; Dr. F.C. Stades Dierenarts, specialist oogheelkunde Diplomate European College of Veterinary Ophthalmologists (ECVO).

PHTVL/PHPV is een, op zich, zeldzaam voorkomende, aangeboren oogafwijking. Bij een tweetal rassen is bewezen dat de afwijking erfelijk is bepaald. Binnen deze rassen kwam (voordat er tegen werd geselecteerd, zoals bij de Dobermann) de afwijking wel regelmatig voor. Als gevolg van een storing in de ontwikkeling blijven er restjes achter van het embryonale lensvaatnetje dat voor de geboorte de achterzijde van de lens van voedingsstoffen moest voorzien. Er blijven minieme restjes (graad 1) van het lensvaatnetje, ook na de geboorte zitten. Bij de ernstige vormen (graad 2-6) blijven er grotere delen achter en gaan zij tevens woekeren

Om aan te geven in welke vorm de hond de afwijking heeft, zijn gradaties aangebracht, nl.: Onbeslist, graad 1 en de ernstige vormen (graden 2-6). Bij “onbeslist” blijven minieme restjes van het vaatnetje, meestal alleen in één oog, achter op de achterzijde van de lens. Bij graad 1 zijn duidelijker restjes achtergebleven. Zij veranderen niet meer, veroorzaken geen veranderingen aan andere delen van het oog en beïnvloeden het gezichtsvermogen van de hond niet. Zij zijn uitsluitend te zien met behulp van een speciale microscoop. De ernstige vormen (graden 2-6), komen steeds in beide ogen voor. Er blijft een laagje gepigmenteerd, gewoekerd littekenweefsel met vaatresten tegen de achterkapsel van de lens zitten. Daarnaast kunnen de lenzen aan de achterzijde conisch (kegelvormig) zijn misvormd. Bij de ernstige vormen (graad 2-6) heeft het proces een slechte invloed op de lensinhoud, waardoor deze langzaam troebel wordt (cataract). Dit cataract kan reeds bij de geboorte aanwezig zijn, waardoor de pups direct al blind zijn. Het kan ook gedurende het leven langzaam in ernst toenemen. De weg van het licht naar het netvlies wordt daardoor steeds meer geblokkeerd, de hond kan steeds minder zien en wordt langzaam blind. De afwijkingen doen in ieder geval geen pijn. Soms zijn de pups al blind bij de geboorte en weten niet beter. Als ze geleidelijk blind worden hebben ze rustig de tijd om zich aan te passen. Zij zullen zich in een vreemde omgeving alleen wel vaker gaan stoten (zie inleiding: Onze hond is blind).

De ernstig afwijkende ogen (graad 2-6) zijn, als zij blind zijn, te opereren. De prognose van de operatie is dubieus (circa 50 %). Als de operatie geen verbetering geeft, blijft de hond blind. De meeste blinde honden kunnen zich echter uitermate goed redden met hun prima neus en oren. Sommige honden worden bang, schrikachtig en soms zelf agressief en daardoor gevaarlijk. In die gevallen blijft er bijna geen andere mogelijkheid over dan euthanasie.

Door middel van fokproeven en stamboom-onderzoek kon worden aangetoond dat PHTVL/PHPV wordt veroorzaakt door een erfelijke stoornis in de ontwikkeling en de afbraak van het vaatstelseltje aan de achterzijde van de lens, tijdens het eerste deel van de dracht. De afwijkingen konden reeds worden vastgesteld bij vruchtjes op een leeftijd van 30 dagen na de dekking. De afwijking wordt het meest waarschijnlijk veroorzaakt door een niet geslachtsgebonden, niet compleet dominant overervende en in verschillende uitingsvormen voorkomende erffactor. Daarbij wordt tevens aangenomen dat de dieren die van de ene ouder de normale en van de andere ouder de afwijkende erffactoren krijgen (drager of heterozygoot) geen of graad 1 afwijkingen vertonen.

Om al deze problemen te voorkomen is het veel beter om door fok- en controlemaatregelen te trachten het aantal ernstige gevallen terug te dringen. Pups kunnen al voordat ze naar de nieuwe eigenaar gaan, dus op jeugdige leeftijd (6-8 weken), maar wel na het chippen (of de tatoeage) worden gecontroleerd op de afwijking. Dit is dan weliswaar een voorlopige uitslag, omdat de oogjes dan nog erg klein zijn en daardoor soms zeer lichte afwijkingen over het hoofd kunnen worden gezien. Door de vroege controle wordt in ieder geval wel voorkomen dat pups met ernstige afwijkingen worden verkocht. Ernstig afwijkende dieren dienen te worden uitgesloten van de fokkerij. Ook hun directe familie (d.w.z. ouderdieren, maar ook nestgenoten) kunnen beter niet meer voor de fokkerij worden gebruikt. Indien het aantal voor de fokkerij beschikbare dieren dit toelaat kunnen Graad 1 en “onbeslist” honden ook beter niet meer worden gebruikt. Gelukkig is door doelmatige bestrijding, het aantal dieren met de afwijking in de afgelopen jaren sterk terug gedrongen.